Met 'voedselbosbouw' verbeterden inheemse volken de natuur

06-05-2021 08:00

Categorie: Milieu

Met 'voedselbosbouw' verbeterden inheemse volken de natuur

Foto: Yasamin Varzideh, Redactie: Benjamin Varzideh

 

Stukjes bos die lang geleden door inheemse stammen werden gerooid en bewerkt, leveren ook vandaag de dag nog meer voedsel voor mens en dier op dan het omringende bos.

 

Honderden jaren lang rooiden inheemse stammen kleine stukken bos in het midden van de dichte naaldwouden van wat nu British Columbia is. Hun ‘voedselbossen’ leverden een overdaad aan noten, vruchten en bessen op. Nadat de inheemse stammen aan het einde van de achttiende en in de negentiende eeuw door meerdere golven van Europese ziekten waren gedecimeerd, werden ze van hun land verdreven door Europese kolonisten en raakten hun weelderige en veelzijdige voedselbossen in vergetelheid. De bomen gedijden ver van hun natuurlijke habitat en leken misplaatst te zijn tussen de torenhoge ceders en hemlocksparren.


Armstrong vermoedde dat ze te maken had met een ecosysteem dat door mensenhand was gecreëerd en zag dat het nog altijd goed gedijde, zonder enig onderhoud van buitenaf. Armstrong zocht een groepje collega’s bijeen om nader onderzoek te doen naar de ecologie van deze ‘voedselbosbouw’. “Toen we deze voedselbossen onderzochten, bleek dat ze het in feite beter doen dan de natuur, waardoor ze weerbaarder waren en meer biodiversiteit vertoonden. O ja, en ze voorzagen mensen ook nog van voedsel,” zegt Armstrong.

De nieuwe studie is mogelijk de eerste waarin precies is onderzocht hoe de ‘functionele diversiteit’ van een stuk bos met inheemse methoden kan worden verhoogd. Het onderzoek volgt op een reeks wetenschappelijke publicaties waaruit duidelijk wordt dat inheemse volken zowel in het verleden als tegenwoordig op het gebied van landgebruik vaak beter zijn in het behoud van biodiversiteit, het opslaan van koolstof en het genereren van andere ecologische diensten dan overheidsorganen en milieuorganisaties.

Luisteren naar mensen
De stukken bos die door Armstrong zijn bestudeerd, voorzagen de dorpen van de oorspronkelijke bewoners ooit van voedsel en geneesmiddelen, onder meer afkomstig van planten die van ver waren aangevoerd. Deze bewerkte stukken bos zijn open en zonnige plekken te midden van dichte en schaduwrijke naaldwouden die ook veel bladverliezende bomen en heesters bevatten. Vergeleken met het omringende woud telden de voedselbossen circa 1,3 maal zoveel plantensoorten en 1,5 maal zoveel planten waarvan de zaden door dieren werden verspreid. De planten in de voedselbossen produceerden zaden die gemiddeld tweemaal zo groot waren als die in de woudgedeelten, waardoor de voedselbossen veel meer voedsel voor dieren opleverden en dus een hogere functionele diversiteit hadden.

Hazelnoten, vruchtdragende heesters als cranberry en vlierbes, en eetbare planten in de ondergroei, zoals mansoor en rijstlelie, gedijden allemaal beter in de stukken voedselbos dan in de omringende naaldwouden, die door hun overvloed aan coniferen minder voedsel voor mens en dier produceren. Veel ecologen beschouwen het als een beter criterium voor de gezondheid en weerbaarheid van een ecosysteem dan het simpelweg tellen van het aantal soorten, een methode die in conventionele biometrica wordt gebruikt. Miller en Armstrong vermoeden dat die weerbaarheid de reden is dat voedselbossen zo lange tijd zonder enig onderhoud van buiten bewaard zijn gebleven. De afwijkende gegevens van de stukjes voedselbos leken ook te wijzen op iets wat van groot belang was voor de inheemse stammen die er leefden.

“Het buitensluiten van mensen is dus niet goed voor het herstel van het land. “Het doel is om hetgeen we hebben opgestoken nu te gaan toepassen, zodat we dit soort voedselbossen in ere kunnen herstellen” en inheemse gemeenschappen kunnen helpen ze opnieuw te gebruiken, zegt zij.

Idealisering van ongerepte natuur?
De kloof tussen inheemse kennis en westerse wetenschap heeft een lange geschiedenis. Tegen de tijd dat de ecologie tot een academische discipline uitgroeide, in de vroege negentiende eeuw, hadden Europese kolonisten overal ter wereld talloze inheemse stammen van hun oorspronkelijke grondgebied verdrongen. Het uitwissen van het traditionele landgebruik van inheemse volken sloot aan op de benadering van ‘vestingbehoud’, dat inhield dat een natuurgebied alleen beschermd kon worden als de mens uit dat ecosysteem werd geweerd. Een bekend voorbeeld daarvan is het Yosemite National Park, dat onder meer werd gevormd door de uitzetting van de inheemse bevolking.

Ook Waller begon zijn academische carrière in die periode. Maar toen uit allerlei ontdekkingen bleek dat zelfs het ogenschijnlijk zo ongerepte regenwoud van het Amazonegebied in werkelijkheid gedurende millennia grondig was beïnvloed door de mens, begonnen wetenschappers anders over deze kwestie te denken. In recente tijden heeft de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties ruim driehonderd eerdere wetenschappelijke studies geanalyseerd en daarbij ontdekt dat bosgebieden in Latijns-Amerika die door inheemse groepen werden beheerd, minder zijn aangetast door ontbossing en meer koolstof opslaan dan andere stukken bos en beschermd natuurgebied. Een andere studie, uit 2019, toonde aan dat inheems grondgebied in Australië, Brazilië en Canada een ongeveer even hoge biodiversiteit wat betreft gewervelde dieren vertoonde dan natuurgebied dat door overheden werden beschermd.

En afgelopen week nog kwamen onderzoekers tot de slotsom dat inheemse volken duizenden jaren lang driekwart van de landmassa op aarde hebben bewoond en vormgegeven, maar dat het verlies aan biodiversiteit in deze gebieden pas begon na de wereldwijde kolonisatie. In een studie die in 2018 verscheen, keken Waller en een medeauteur naar vijf ecologische maatstaven van de dichtheid en gezondheid van bosgebieden en ontdekten dat bossen in Wisconsin die door Menominee- en Ojibwe-indianen werden beheerd, beter of evengoed ‘presteerden’ dan andere wouden in Wisconsin, waaronder die van de US Forest Service en de National Park Service.

Zwart op wit
Enkele jaren geleden werkte Marks-Block samen met de inheemse bosbouwecoloog Frank Lake van de US Forest Service, waarbij ze keken naar de uitwerking van bosbranden op hazelaars in het noorden van Californië, waar branden doelbewust worden gelegd door leden van de Yurok- en Karuk-stammen, die de hazelnoten als een belangrijke voedselbron beschouwen en hazelaarhout voor hun traditionele mandvlechterij gebruiken. Afgezien van de hazelaar gebruiken de inheemse volken gerichte branden ook voor de vernuftige rotatie van eikenbomen. Sinds de tijd dat deze brandmethoden werden onderdrukt, in de late negentiende eeuw, is de meeste eikensavanne verdrongen door coniferen als de Douglas-spar, waardoor het landschap in het algemeen minder soortenrijk is en minder eetbare planten produceert. Bevindingen van studies als die van Marks-Block bevestigen vaak wat inheemse volken al uit eigen ervaring en praktijk wisten, maar dat wil niet zeggen dat deze studies niet zinvol zijn, zegt Tripp.

De mogelijkheid om naar wetenschappelijk onderzoek te verwijzen is des te belangrijker omdat inheemse groepen hun rechten steeds vaker opeisen, vooral wat betreft ‘afgestaan grondgebied’ waar ze naar eigen zeggen nog altijd aanspraak op maken. Nu Deb Haaland onlangs als eerste indiaans-Amerikaanse minister van Binnenlandse Zaken van de VS is benoemd, zijn inheemse leiders voorzichtig optimistisch over de kans op verandering. Maar in andere staten blijft er een kloof gapen tussen het overheidsbeleid en de beschikbare inheemse kennis en ervaring. Zo gaf de staat Wisconsin dit voorjaar toestemming voor een wolvenjacht, waartegen door wetenschappers en stamleden was geprotesteerd.

“Volgens het wereldbeeld van de inheemse volkeren moeten wolven hun eigen populatiedichtheid bepalen en doen ze dat door zeer kleine populaties te onderhouden. Ondanks het feit dat wetenschap en inheemse kennis steeds verder naar elkaar toegroeien, ligt er volgens Waller nog werk voor academici. “Ik zou willen dat ecologen in opleiding de optie hebben om het vak etnobotanie of traditionele inheemse ecologie te volgen.